Trump kan niet zonder neonazi’s

Longread. De reacties van president Trump op rechts-extremistisch geweld en neonazistische protesten hebben de wereld verbaasd. In binnen- en buitenland wordt schande gesproken van het gebrek aan moreel leiderschap van de president, die blijft weigeren om neonazi’s onomwonden aan te wijzen als de verantwoordelijken voor de geweldsescalatie in Virginia waarbij een vrouw om het leven kwam. Zelfs in zijn eigen republikeinse partij reageren veel prominenten opvallend kritisch. De Grand Old Party (GOP), zoals de republikeinen liefkozend worden genoemd, lijkt tot op het bot verdeeld. Die verdeeldheid is echter ruim 60 jaar ‘in the making’. Trump begrijpt het belang van identiteit in de politiek en laat zien welk gevaar daarin schuil gaat. Een (lange) analyse van het belang van identiteit in verkiezingen en van hoe dat de moderne republikeinse partij heeft gevormd.

Virginia KKKBegin 2016, nog voordat zeker was dat de presidentsverkiezingen een strijd zouden worden tussen Donald Trump en Hillary Clinton, kwam het boek ‘Democracy for Realists’ uit van hoogleraren politieke wetenschappen Christopher Achen (Princeton University) en Larry Bartels (Vanderbilt University). In dat boek bestuderen Achen en Bartels twee populaire theorieën over het stemgedrag van kiezers in een democratie. De eerste theorie is die van de rationele kiezer die een weloverwogen keuze maakt over de wenselijkheid van beleidsvoorstellen van kandidaten en politieke partijen, op basis van vermeend eigen belang en ideologische motivatie. De hardwerkende fabrieksarbeider zonder universitair diploma en met een laag loon, zal stemmen op de politicus die voorstellen tot nivellering doet (eigen belang) en die hoger onderwijs makkelijker toegankelijk wil maken voor toekomstige generaties (ideologie). Die theorie ontkrachten Achen en Bartels, net als veel andere politicologen voor hen, vrij effectief door erop te wijzen dat kiezers vaak tegen hun eigen belang in stemmen. In Amerika zijn het bijvoorbeeld vaak laag opgeleide en arme kiezers die republikeinen aan de macht helpen, terwijl zij belastingverlaging voor de allerrijksten bepleiten. Ook blijkt uit veel onderzoek dat consistentie in ideologische motivatie van stemgedrag bij veel kiezers ver te zoeken is. Het is goed zoeken naar weloverwogen en rationele kiezers volgens Achen en Bartels, ook onder hoog opgeleide kiezersgroepen die zichzelf weloverwegen en rationeel zullen noemen.

Een vooral in Amerika meer gangbare theorie waar Achen en Bartels daarom ook naar kijken, is de theorie dat kiezers vooral een retrospectief oordeel vellen over het succes van de zittende machtshebbers. Heeft de kiezer het gevoel dat zijn of haar leven er beter op wordt, bijvoorbeeld dankzij sterke economische groei, dan wordt de zittende machtshebber beloond. Zo niet, dan wint de oppositie. Deze theorie werd in 2008 bijvoorbeeld veel aangehaald om het electorale succes van president Obama te verklaren. Terwijl de hele wereld zich afvroeg of Amerika wel klaar was voor een zwarte president, was de kiezer vooral bezig met de economische crisis die volgde op de instorting van de financiële markten. Het ging economisch slecht en dus werd de zittende macht, de republikeinen onder leiding van president George W. Bush, afgestraft. Onvermijdelijk gevolg was dus dat de democraten het Witte Huis veroverden en de meerderheid pakten in het Congres. Niet een individueel oordeel over Barack Obama of zijn voorgenomen beleid had Amerika volgens deze theorie aan de eerste zwarte president geholpen, maar het economisch resultaat van de zittende machtshebber.

Ook deze retrospectieve theorie wordt door Achen en Bartels echter ontkracht. Zo wijzen ze op meerdere voorbeelden waar kiezers de zittende machtshebber lijken te straffen, voor gebeurtenissen waarvoor hij of zij (meestal ‘hij’) geen verantwoordelijkheid kan dragen, zoals natuurrampen. Als voorbeeld noemen ze president Woodrow Wilson die in 1916 zijn eigen thuisstaat New Jersey tijdens zijn herverkiezing niet wist te winnen, omdat een golf van aanvallen door haaien aan de kust de toeristische industrie plat had gelegd. Hoewel Wilson onmogelijk verantwoordelijk gehouden kon worden voor het gedrag van de haaien, wreven de kiezers in New Jersey hem als zittende machtshebber wel de economische gevolgen van het gedrag van de haaien aan. Geen rationele overweging van behaalde resultaten dus. Ook wijzen ze erop dat kiezers volgens veel onderzoek moeite hebben om te identificeren of het beter of slechter met ze gaat, dan toen de zittende machtshebber verkozen werd; twee maanden van economische groei na jaren van neergang wordt vaak electoraal beloond, terwijl één slechte maand na jaren van groei wordt afgestraft. Deze kritiek op het retrospectieve model werd, na het uitkomen van het boek van Achen en Bartels, onderstreept door de verkiezingsoverwinning van Trump. Onder president Obama maakte Amerika zeven jaar op rij economische groei door, maar toch verloor de democratische kandidaat de verkiezingen. Veel kiezers haalden de economie aan als motivatie voor hun stem op Trump. Kiezers leken de economische situatie dus nauwelijks te spiegelen aan de staat van de economie toen president Obama het stokje van zijn voorganger overnam, om te bepalen of ze tevreden waren over het functioneren van de zittende machtshebber.

Sociale identiteit

Achen en Bartels komen daarom met een andere theorie over het stemgedrag van kiezers. Zij stellen dat kiezers in het democratisch proces vooral vanuit hun sociale identiteit handelen. In de meest oppervlakkige zin betekent dit dat een latino kiezer geneigd zal zijn om op een latino kandidaat te stemmen en een vrouwelijke kiezer op een vrouwelijke kandidaat. Hun analyse gaat echter verder. Zij stellen dat ieder mens in eigenlijk alle vormen van gedrag geleid wordt door percepties van sociale en culturele identiteit. Oordelen over goed en slecht en waarheid en onwaarheid, worden bepaald door de omgeving waarin mensen zich bevinden en de identiteit die ze zich, vanuit hun sociale context, aanmeten. Achen en Bartels noemen de strijd tussen katholieken en protestanten in Noord-Ierland als voorbeeld en halen daarbij de Ierse dichter Seamus Heaney aan1:

Heaney told of an Irish visitor tot he North who was asked whether he was a Protestant or a Catholic. The man said he was an atheist. “Yes, yes, we understand,” his hosts replied. “But are you a Protestant atheist or a Catholic atheist?” Theology was not the issue.

Achen en Bartels stellen dat niet alleen meningen, maar ook de perceptie van waarheid afhankelijk is van sociale identiteit. Een katholiek in Noord-Ierland (of liever gezegd, iemand die zich ongeacht geloof als katholiek identificeert) zal in dit voorbeeld andere feiten voor ‘waar’ aannemen, dan een protestant. Een kiezer die zich in een sociaal netwerk bevindt waarin weinig mensen hoger onderwijs hebben genoten en waar economisch belang ligt bij zware industrieën als belangrijke werkgever, zal eerder geneigd zijn om de opwarming van de aarde als feit in twijfel te trekken, dan iemand die zich in de wereld van hybride auto’s en wetenschappelijk onderzoek bevindt. Waarheid en feiten zijn in dat opzicht geen absolute gegevens, maar onderdeel van sociale perceptie.

Achen en Bartels stellen dan ook dat kiezers niet geneigd zijn om te stemmen op een kandidaat of partij die in rationele zin de beste voorstellen heeft voor henzelf, noch voor de kandidaat die de afgelopen jaren het beste beleid voor henzelf heeft gerealiseerd, maar dat kiezers stemmen op de kandidaat die de beste aansluiting heeft bij hun eigen sociale identiteit. Een kandidaat die nadrukkelijk zegt op te komen voor de belangen van een specifieke groep, maar die ook in woord en daad uitstraalt te begrijpen wat die groep bezig houdt en doormaakt, zal door mensen in die groep gesteund worden, ongeacht ideologie, beleidsvoorstellen of gehaalde resultaten. Kiezers bepalen hun voorkeur op grond van sociale identiteit en rationaliseren vervolgens achteraf hun steun voor de beleidsvoorstellen van een kandidaat, in plaats van op grond van die beleidsvoorstellen een keuze voor de kandidaat te maken. Achen en Bartels stellen dus dat bijvoorbeeld etnische minderheden, LHBTI’ers en vrouwen overwegend democratisch stemmen in Amerika, niet omdat de democraten per se het beste beleid voor ze voeren of de beste resultaten voor ze hebben gehaald, maar wel omdat democraten doorgaans in woord en daad uitstralen niet alleen het beste met deze groepen voor te hebben, maar ook het beste te begrijpen wat ze belangrijk vinden en waar ze het moeilijk mee hebben. Een heteroseksuele vrouw of zwarte kiezer stemt niet uit eigen belang op de kandidaat die pleit voor gender neutrale aanduidingen bij overheidscommunicatie, maar wel omdat die kiezer zich identificeert met de politicus die opkomt voor de belangen van groepen die vaak onderdrukt worden. Het is voor deze groepen makkelijker om zich met een democratische kandidaat en de democratische partij te identificeren – ongeacht of de kandidaat een man of een vrouw is, een homo of een hetero, zwart of blank – dan met een republikein en de republikeinse partij. Dat verklaart volgens Achen en Bartels ook de steeds verder gaande verstarring van het politieke landschap in Amerika. Kiezers identificeren zich met één partij en twijfelen dus niet meer tussen twee kandidaten. De electorale keuze is niet ‘republikein’ of ‘democraat’, maar ‘niet stemmen’ of ‘democraat stemmen’, dan wel ‘niet stemmen’ of ‘republikein stemmen’.

In een interview met journalist Ezra Klein van Vox.com gaf Bartels eerder dit jaar aan de bevestiging van zijn theorie te zien in de uitslag van de presidentsverkiezingen van 2016. Want hoe opmerkelijk en onverwacht het verloop van de campagnes ook geweest is, met een ongekende opeenvolging van schandalen, de uitslag was eigenlijk helemaal niet zo opmerkelijk en onverwacht. Net als tijdens de meeste recente verkiezingen stemden mannelijke, laag opgeleide en blanke kiezers overwegend op de republikeinse kandidaat en stemden vrouwen, etnische minderheden en hoog opgeleide kiezers overwegend democratisch. Hoewel de opkomst onder specifieke groepen op bepaalde plaatsen hoger of lager was dan bijvoorbeeld vier jaar eerder – en de uitslag van de presidentsverkiezingen dus anders was dan in 2008 en 2012 – was de demografische samenstelling van het electoraat goed vergelijkbaar. Trump zette niet het electorale landschap op zijn kop, maar voelde feilloos aan op welke sociale identiteit hij een beroep moest doen om te zorgen voor een hoge opkomst onder die groepen die toch wel republikeins stemmen. Clinton slaagde er niet voldoende in om datzelfde te bereiken aan democratische zijde. Niet een rationeel eigen belang, een ideologie of een perceptie van behaalde resultaten van zittende machtshebbers hielp Trump aan de overwinning, maar de identiteit van het electoraat en de aansluiting daarop van de kandidaten. In het bijzonder waren het laag opgeleide blanke mannen in oude industriële staten die al jaren republikeins stemmen – het beeld van de vroegere democratische vakbondsbolwerken in dergelijke gebieden is eigenlijk al sinds vorige eeuw achterhaald – die zich nu voor het eerst echt met een kandidaat konden identificeren en daarom in grotere getalen stemden dan tijdens recente verkiezingen. De aansluiting op hun sociale identiteit maakte het verschil.

Richard Nixon en het zuiden

Geen naoorlogs Amerikaans politicus vóór Trump begreep dit belang van identiteit zo goed als de republikeinse president Richard Nixon. Die was in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw, samen met senator Barry Goldwater, verantwoordelijk voor wat de southern strategy van de republikeinse partij zou gaan heten. Traditioneel was het zuiden van de Verenigde Staten het politieke domein van de democratische partij. Het was de republikeinse president Abraham Lincoln die de afschaffing van de slavernij in het zuiden tijdens de burgeroorlog halverwege de 19e eeuw had afgedwongen en het waren de democraten die zich vanaf hun oprichting hadden gekeerd tegen de macht van de federale overheid. In de jaren 50 begonnen de politieke verhoudingen in Amerika echter te verschuiven. De democraten omarmden de strijd voor gelijkwaardigheid van zwarte Amerikanen en de afschaffing van de segregatie. Zij werden de partij van de zogenaamde Civil Rights Movement. De cynicus zal bij deze omarming wijzen op opportunisme – democraten zagen de potentie om een heel nieuw electoraat aan zich te binden – terwijl prominente democraten als Adlai Stevenson II en de presidenten John. F. Kennedy en Lyndon B. Johnson ook ideologisch zich verantwoordelijk leken te voelen voor het lot van de zwarte Amerikanen.

Wat de motivatie ook was, Nixon en Goldwater zagen in de schuivende politieke verhoudingen een kans. Zij realiseerden zich dat het zuiden de klap van de burgeroorlog en de gedwongen afschaffing van de slavernij zo’n 100 jaar eerder nog niet had verwerkt. Los van de inhoudelijke discussie over de slavernij, ging dat om begrippen als trots, eer en identiteit. Tijdens de burgeroorlog hadden de noordelijke staten het zuiden op de knieën gedwongen. De afschaffing van de slavernij was ze door de strot geduwd, zo voelde men dat in het zuiden en dat hadden veel mensen als een vernedering ervaren. Met tegenzin had men na de burgeroorlog akkoord moeten gaan met de nieuwe verhoudingen tussen zwart en blank, maar van gelijkwaardigheid was nog geen sprake. De segregatie, de wettelijke scheiding tussen bevolkingsgroepen, was een manier geweest voor het zuiden om de afschaffing van de slavernij dragelijk te maken. Zwarte Amerikanen waren geen slaven meer en waren voor de wet gelijkwaardig aan blanke Amerikanen, maar scholen, bussen, kerken en winkels hadden het volste recht om de deuren voor zwarte Amerikanen gesloten te houden. ‘Separate but equal’ werd dat genoemd: zolang er ook maar scholen, bussen, kerken en winkels voor zwarte Amerikanen waren, zou ‘whites only’ geen ongelijkwaardigheid betekenen.

Met de omarming van de Civil Rights Movement door democraten als Stevenson en Kennedy, die met respectievelijk Illinois en Massachusetts beiden noordelijke staten vertegenwoordigden, leek de geschiedenis zich te herhalen. Wederom waren het politici uit het noorden die het zuiden probeerde rassengelijkheid door de strot te duwen. Ditmaal waren het echter democraten die voorop gingen in de strijd, niet de republikeinen van Lincoln. Nixon en Goldwater zagen dat dit voor veel kiezers in het zuiden een veel fundamenteler onderwerp was dan alleen de vraag of segregatie afgeschaft moest worden. Kiezers in het zuiden werden geraakt in hun trots en eergevoel, in hun sociale identiteit. Dat betekende potentiële winst voor republikeinen, als ze die identiteit konden aanspreken.

De southern strategy hield in dat republikeinen als Nixon en Goldwater actief campagne voerde in het zuiden, maar ook dat ze campagne voerden op thema’s en met woorden die juist dat electoraat moesten aanspreken. Vooral Nixon koos ervoor om daarbij in verholen termen te spreken. Hij kon het zich niet veroorloven om zich openlijk uit te spreken voor segregatie. Daarmee zou hij weggezet worden als racist en zou hij zijn achterban buiten het zuiden van zich vervreemden. In plaats van te spreken over het recht om bijvoorbeeld een zwarte Amerikaan de toegang tot jouw winkel te ontzeggen, sprak hij over het belang van ‘states’ rights’. Wat die rechten van staten waar hij voor opkwam dan precies waren, hoefde hij niet te benoemen. Door te zeggen dat hij opkwam voor de rechten van staten, gaf Nixon aan kiezers in het zuiden het signaal dat hij ook het recht van zuidelijke staten zou verdedigen, om segregatie in stand te houden. Dit fenomeen wordt ook wel ‘dog-whistle politics’ genoemd, naar het hondenfluitje dat alleen gehoord wordt door de gene voor wie het bedoeld is. Niemand kon Nixon ervan beschuldigen uitgesproken racistisch te zijn en nergens deed hij beleidsvoorstellen die expliciet maakten dat segregatie in stand werd gehouden. Maar wie zich in zijn sociale identiteit getast voelde door de omarming van de civil rights movement door democraten, wist en voelde dat Nixon zijn leed begreep.

De omarming van de civil rights movement door de democraten en de southern strategy van de republikeinen hebben gezorgd voor een volledige herijking van het politieke landschap in Amerika. Sinds Nixon in 1968 tot president werd verkozen, is het zuiden van de Verenigde Staten bijna altijd gedomineerd door de republikeinse partij. Alleen in 1976 wist een democraat nog éénmalig een groot deel van het zuiden voor zich te winnen. Dat was echter minder te danken aan de populariteit aldaar van de democratische voormalige pindaboer Jimmy Carter die zelf uit de zuidelijk staat Georgia kwam, dan aan de impopulariteit van president Gerald Ford die Nixon had opgevolgd nadat die laatste door het Watergate schandaal had moeten opstappen. Vanaf 1968 was de southern strategy onderdeel van de republikeinse strategie en dat betekende dat alle republikeinse presidentskandidaten, hoewel in verholen terminologie, aansluiting moesten vinden bij de sociale identiteit van zuidelijke kiezers die zich verzetten tegen de afschaffing van de segregatie en tegen de strijd voor emancipatie van etnische minderheden. De populairste republikeinse president uit de moderne geschiedenis, Ronald Reagan, was ook een meester in dog-whistle racisme.

Donald Trump en Virginia

Dat brengt ons terug naar de verkiezing van Donald Trump en zijn reactie op het racisme en neonazisme dat steeds nadrukkelijker de kop op steekt. Trump realiseert zich al jaren hoe dog-whistle politics werkt. Tijdens de jaren dat Obama president was, werd Trump één van de meest prominente gezichten van de zogenaamde birther-movement, die de legitimiteit van Obama’s presidentschap in twijfel trok. Het idee was dat Obama in Kenya geboren zou zijn en dat zijn geboorteakte van Hawaii vervalst was. Dat is een toonbeeld van een dog-whistle. Waar de meeste mensen er een bizarre samenzweringstheorie in zullen horen, hoort een deel van Amerika daar een racistisch sentiment in: een zwarte Amerikaan is geen ‘echte’ Amerikaan en een zwarte Amerikaan moet je wantrouwen. Wie het wil horen, hoort het. De rest haalt z’n schouders op en denkt ‘gekkie’. Ook zijn belofte om een grote muur te bouwen op de Mexicaanse grens en zijn bewering dat Mexicanen drugs, verkrachting en andere vormen van criminaliteit het land in brengen, past in dat beeld. Trump is explicieter geweest dat welke Amerikaanse presidentskandidaat ook in zijn handreikingen naar racistische sentimenten. De aanstelling van Steve Bannon als campagneleider en daarna als adviseur in het Witte Huis, betekent dat de ‘woordvoerder van extreem rechts’ zich nu in het centrum van de macht bevindt. Dat is Trump op steun komen te staan van extreme figuren als voormalig Ku Klux Klan leider David Duke en van allerhande neonazistische en rechts extremistische organisaties die zichzelf als Alt-Right, het alternatieve rechts, een wat beschaafder voorkomen hebben aangemeten.

Als Trump nu in te expliciete woorden afstand zou nemen van de protesten en het geweld in Virginia, zou dat hem meer steun kosten dan alleen van de extremisten en neonazi’s die daar de straat op gingen. Want hoewel de extremistische beweging klein is, net als alle extremistische bewegingen, vertegenwoordigt die ook sentimenten, die een veel groter deel van de bevolking in gematigde vorm voelt. Hoewel slechts een klein deel van zijn achterban met hakenkruizen en Hitlergroet de straat op gaat, is een veel groter deel van zijn achterban het er mee eens dat de standbeelden van voorvechters van de slavernij niet verwijderd zouden moeten worden. Die generaals en politici die in het zuiden in standbeelden vereeuwigd zijn, zijn voor veel zuidelijke kiezers immers ook vertegenwoordigers van de trots en het eergevoel waarin ze door het noorden zijn geraakt. Die beelden waar het allemaal om ging, zijn symbolen van hun sociale identiteit, van hun trots om zuiderling te zijn. Daarmee zijn die neonazi’s en extremisten die in Virginia de straat op gingen, voorvechters van de sociale identiteit die electoraal zo belangrijk is voor Donald Trump en de republikeinse partij. Wie expliciet afstand neemt van die extreme voorvechters, neemt ook impliciet afstand van die gematigder identiteit.

Voor Trump is het dus niet zo makkelijk om onomwonden te stellen dat de neonazi’s en extremisten in Virginia fout zaten. De racistische ondertoon in de Amerikaanse samenleving, die al lang niet meer tot het zuiden beperkt is, is van cruciaal belang voor zijn politieke succes. Het is voor hem minder problematisch om door de ‘linkse elite’ als racist gezien te worden, dan om door boze blanke mannen gezien te worden als iemand die hun pijn niet ziet en hun identiteit niet begrijpt. De meeste Trump stemmers zijn geen neonazi’s, of rechts extremisten. Veel republikeinen zijn geen racisten en zweren geweld zoals we dat in Virginia gezien hebben af. Maar de sentimenten die de neonazi’s en extremisten tot aan de dood verdedigen, staan wel mede aan de basis van de sociale identiteit waarop de republikeinen en Trump hun politieke strategie al ruim 50 jaar hebben gebouwd. Republikeinen die Trump nu in expliciete woorden veroordelen, kiezen voor moreel leiderschap. Daarmee vervreemden ze echter wel een deel van het electoraat van zich, dat zo belangrijk is voor de partij die ze vertegenwoordigen. Trump vertegenwoordigt een deel van de Amerikaanse samenleving dat zich voor het eerst in lange tijd politiek geëmancipeerd voelt. Daarmee dreigt de republikeinse partij steeds meer verdeeld te raken tussen hen die afstand nemen van het extreme en hen die extremisten dicht genoeg bij zich houden uit electoraal belang. Verkiezingen draaien om sociale identiteit en niemand begrijpt dat beter dan Trump. Daarom zal hij zich nooit helemaal van extreem rechts afkeren. Trump kan niet zonder neonazi’s en andere extremisten.

1) C.H. Achen, L.M. Bartels, Democracy for Realists, Princeton University Press 2016, p. 228-229