Het spook van Gary Hart: hoe een campagne in een week over kan zijn

2016 is begonnen. Het Republikeinse spectrum is, eerlijk gezegd, te breed om op te noemen, terwijl de democratische nominatie vrijwel zeker naar Hillary Clinton gaat – tenzij Bernie Sanders een heel groot konijn uit zijn hoge hoed tovert. Die kans is echter verwaarloosbaar. Dat betekent, kort gezegd, dat de primaries voor de Democrats geen afvalrace zullen zijn en voor de Republicans wel. Het is nog de vraag in wiens voordeel dat eigenlijk is.

In De la démocratie en Amérique noemde Alexis de Tocqueville de presidentsverkiezingen een nationale crisis van een omvang waar menig Europees land aan onderdoor zou zijn gegaan. Die karakterisering is met de tijd alleen maar meer bewaarheid. In een election year – en de periode daar voorafgaand – wordt de kiezer permanent gebombardeerd met zorgvuldig geselecteerde informatie over de kandidaten, al dan niet in goede zin. Omgekeerd staat de kandidaat onder constante druk zichzelf niet in de voet te schieten.

All eyes on Hart
Dat ging in het verleden nogal eens mis. Neem bijvoorbeeld 1988: na de landslides van Reagan lag het veld volledig open. Het resulteerde in de spannendste verkiezingen in twee decennia, magistraal beschreven in de bestseller en literaire mijlpaal What it Takes van Richard Cramer – tot op de dag van vandaag het beste boek over het verkiezingsritueel. Beide kampen kenden een gemêleerd en divers spectrum aan deelnemers: Bob Dole, Pat Robertson en George H.W. Bush, Michael Dukakis, Al Gore en Dick Gephart. Joe Biden waagde een poging, maar lange tijd leek Gary Hart, senator uit Colorado, met de democratische nominatie aan de haal te gaan.

Hart was gematigd, centristisch en relatief ongeschonden uit de electorale veldslag van 1984 gekomen. Waar Reagan als Republikein de great silent majority aan wist te spreken zou Hart dat als Democraat kunnen doen, was de gedachte. Daarom leek hij aanvankelijk de aangewezen persoon om de leider van de vrije wereld te worden. Helaas voor Hart liep het anders. Als belangrijkste persoon binnen de Democratische partij maakte hij hernieuwde kennis met de schijnwerpers van de pers, en daar wist Hart zich geen raad mee.

In eerste instantie deed Hart de geruchten over zijn buitenechtelijke affaires, die sinds 1984 rond zoemden, af als non-issues. Of en wat voor afspraken hij met zijn vrouw had over hun relatie was hun zaak, niet die van de pers. Daar dacht diezelfde pers anders over. Na aanhoudende vragen over zijn privéleven opperde Hart dat, als de journalisten daadwerkelijk zo geïnteresseerd waren in zijn reilen en zeilen, zij hem dan maar moesten gaan schaduwen.

Scheve schaats
Wat daarop volgde lijkt nog het meest op een tragedie zonder winnaars, met belangrijke lessen voor toekomstige politici. In All the Truth is Out doet Matt Bai uit de doeken wat er precies gebeurde. Kort gezegd komt het er op neer dat een team van reporters Hart inderdaad dag en nacht ging volgen en binnen een week onomstotelijk bewijs voor een affaire opdook.

De fout die Hart maakte was niet dat hij een scheve schaats reed, en ook niet dat hij de pers uitdaagde: beide waren met succes door eerdere politici gedaan. Het cruciale manco van Hart was dat hij oprecht niet begreep dat er voor de pers – en in het verlengde daarvan voor de kiezer – geen onderscheid meer bestond tussen publieke en private moraal. Hart wilde er niet aan dat zijn partij en de kiezer de affaire zwaarder zouden laten wegen dan zijn ideeën over maatschappelijke en politieke vraagstukken. Zijn campagnemanager noemde de onthullingen een vorm van karaktermoord met Hart als slachtoffer,  kenmerkend voor de wijze waarop Hart omging met het debacle. Voor hem was het zonneklaar dat de kiezer door de sensatiezucht van de pers heen zou prikken en het relevante van het irrelevante zou kunnen scheiden.

Op dat punt sloeg Hart de plank faliekant mis. De redacteur van de Miami Herald, de krant die het verhaal over Hart’s affaire in eerste instantie publiceerde, legde uit dat de keuzes die Hart in zijn privéleven maakte serieuze vragen opriepen over zijn beoordelingsvermogen en zijn persoonlijke integriteit. Daarom was het wel degelijk een publieke kwestie en relevant voor zijn kandidatuur. Hoe graag Hart het ook zou willen, hij zou dit stigma nooit meer kwijtraken. Omdat iedere persconferentie voortaan zou gaan over zijn liefdesleven en hij simpelweg niet meer serieus genomen werd zag Hart zich na een week genoodzaakt de eer aan zichzelf te houden.

Boetekleed
Het geval Gary Hart laat zien aan wat voor draadje een campagne hangt. Natuurlijk was de affaire niet handig, maar de wijze waarop hij er mee omsprong was een vorm van de goden verzoeken. Aan de andere kant is het de vraag of er een goede manier is om met een dergelijk schandaal om te gaan. Doodzwijgen kan niet, de media gaan niet ineens iets anders doen.

Wellicht was Hart wel de nominee geworden als hij het boetekleed aan had getrokken. Dat kon echter niet omdat hij zelf geloofde dat hij niets verkeerd had gedaan, niet in de laatste plaats vanwege zijn achterhaalde onderscheid tussen private en public lives.

Voor 2016 betekent dit twee dingen. Chris Christie is kansloos omdat hij het Fort Lee lane closure schandaal niet onder de duim krijgt. Dat is zonde omdat Christie een daadwerkelijk aan beide kanten geliefde kandidaat was, until he wasn’t. Hillary daarentegen wordt oprecht verguisd door de meer extreme Republicans en heeft ook nog bepaald geen claim op de gematigde twijfelaar. Als ze Benghazi, haar privemails en de buitenlandse donaties niet heel snel onder controle krijgt wordt het een hele donkere herfst in 2016, hoe bedreven zij en Bill ook mogen zijn in campaigning.