Confucius, Mao, Boeddha en Tao: Ideologie en pragmatisme in de Chinese politiek

Chinese_flag_(Beijing)_-_IMG_1104Politiek is een ideeënstrijd. Terwijl in Nederland (sociaal-) liberale ideeën soms botsen met die van socialisten, katholieken en protestanten er onderling niet altijd uitkomen, laat staan de islam en de populisten op de rechterflank, kent China deze publieke ideeënstrijd niet echt. Ideologie in China is een smeltkroeg van allerlei verschillende en vaak botsende ideeën. Mogelijk gemaakt door: pragmatisme.

Confucius
Op een steenworp van het Plein van de Hemelse Vrede (Tiananmen), in het hart van de Chinese hoofdstad Beijing, verrees in 2011 plots een massief standbeeld van Confucius (Kong Fuzi). De oude filosoof keek er uit op het portret van Mao Zedong boven de poort naar de Verboden Stad, het machtscentrum van de Chinese keizers van de Qing dynastie. Rechts van hem kon hij het mausoleum van de Grote Roerganger van de Chinese Communistische Partij (CCP) bijna zien liggen. Aan zijn voeten lagen de stenen waarop studenten in 1989 hun tenten opzetten om te protesteren. En als hij zijn nek strekte, dan zag hij links de ommuurde campus waar China’s Communistische leiders wonen (Zhongnanhai). Na vier maanden verdween Confucius midden in de nacht op mysterieuze wijze van het Plein.

Wie China wil begrijpen, ontsnapt niet aan Confucius en Mao. De Chinese president Xi Jinping citeert net zo makkelijk uit de Confucianistische Klassieken als uit het Rode Boekje van Mao. Maar ook het Boeddhisme, dat via de Zijderoute naar China reisde, en het Taoïsme vormen belangrijke ‘leren’. Ideologie beheerst de Chinese politiek. En tegelijkertijd gaat geen land zo pragmatisch met ideologie om als China. De ‘drie leren’ (sanjiao) bestrijden elkaar niet, zoals Katholieken en Protestanten eeuwen in het noorden van Europa deden, maar vullen elkaar juist aan. Het op de individuele vrijheid en creativiteit gerichte Taoïsme kan, zo stelt de Nederlandse sinoloog en vertaler van Confucius, Kristofer Schipper, in NRC Handelsblad, niet bestaan zonder de ordening van het Confucianisme: “Vrijheid is er alleen, als de samenleving goed geregeld is.” Het heeft wat weg van ‘yin’ en ‘yang’. Conservatisme en liberalisme als twee tegenoverstelde krachten die elkaar in bedwang houden. Het standbeeld van Confucius in het hart van de Chinese macht is tekenend: conservatisme, socialisme en liberalisme bepalen samen de duizenden jaren oude Chinese politieke cultuur. Maar de heersende elite bepaalt welke ideologie op welk moment op een sokkel staat. En haalt net zo makkelijk Confucius weg, als dat even niet uitkomt.

Kapitalisme
Het is deze pragmatische omgang met ideologie dat verklaart hoe het Chinees communisme kan samengaan met wat ‘kapitalistische elementen’ in de Chinese economie, en waarom de CCP, de partij van het proletariaat één van de rijkste politieke partijen ter wereld geworden. Volgens the Economist bezitten de 50 rijkste van de in totaal ongeveer 3000 afgevaardigden in het Volkscongres samen 94 miljard dollar; ruim 60 keer zoveel als de 50 rijkste afgevaardigden op Capitol Hill in Washington. Van die bijna 3000 afgevaardigden waren er zestien arbeider, dertien boer en elf militairen. Niet bepaald het gedroomde communistische ideaal. Is de ideologische spagaat overbrugbaar of glijdt China onder de CCP af naar een cynische maatschappij waarin, zoals Liu Xiaobo (winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede) stelde, “people no longer believe in anything and in which their words do not match their actions, as they say one thing and mean another”?

Voor een antwoord op die vraag moeten we eerst terug naar het China van 2500 jaar geleden, naar de periode van de ‘strijdende staten’. Van een sterke centrale staat zoals vandaag het geval is onder de CCP, is op dat moment geen sprake. Zeven ‘staten’ – eigenlijk vooral gebieden beheerst door feodale landheren – tarten het leiderschap van de Zhou-dynastie (1122 – 256 v.C) en maken elkaar het leven zuur. Confucius (551 tot 471 v.C) gruwt van de onrust die het land verdeelt en verlangt terug naar de orde die heerste onder de vroegere Keizers van de Zhou-dynastie. Hij baseert zijn ideeën over de Chinese staatsorde op deugdzaamheid van de heerser en trouw van zijn ondergeschikten. De relatie tussen leider en volk is als die tussen vader en zoon. Keizers kunnen in zijn ogen alleen door voortdurend de juiste morele waarden in hun gedrag te tonen het volk leiden: leading by example. Helaas voor Confucius gaat de Zhou-dynastie ten onder in de strijd met de zeven staten. Zoals iedere nieuwe dynastie wil de nieuwe Qin Keizer breken met zijn voorgangers: hij doet de leer van Confucius zelfs in de ban. Pas onder de opvolgers van de Qin-dynastie, de machtige en succesvolle Han, groeit het Confucianisme uit tot de bepalende staatsideologie. Het strenge examensysteem dat eeuwenlang op basis van de kennis van de Confucianistische Klassieken zou bepalen welke intellectuelen wel of niet in overheidsdienst mochten werken, is hiervan het meest beruchte uitvloeisel.

Boeddhisme
De leer van Confucius is, zoals gezegd, niet de enige overtuiging die de Chinese maatschappij in de lange aanloop naar de Communistische revolutie zou vormen. De ontwikkeling van de Chinese economie tijdens de (lange en stabiele) heerschappij van de Han Keizers leidde tot meer en meer internationale contacten. Via de zijderoute komen Chinese handelaren in contact met buitenlandse invloeden en reizen Boeddhistische monniken naar China. Het heeft wel wat weg van Nederland tijdens de Gouden Eeuw. De Chinese Keizers stonden zeker niet te springen om de komst van deze ‘buitenlandse’ ideologie. Keizerlijke adviseurs, geschoold in het Confucianisme, vonden de manier waarop Boeddhistische monniken zich in hun kloosters afsloten van de maatschappij een bedreiging voor de autoriteit van de Keizer. Daar kwam bij dat het Boeddhisme zich richt op de ontwikkeling van het individu en veel minder op de verhoudingen tussen individuen zoals het Confucianisme. Toch dacht niet iedere Keizer er zo over: één van de langst zittende en meest succesvolle Keizers, de Qianlong Keizer (1711 – 1799), leidde een dubbelleven als Confucianistisch leider en Boeddhist. En zo heel gek is dat eigenlijk ook niet. Een Boeddhist probeert voortdurend ‘het goede te doen en het foute te vermijden’. Die nadruk op moraliteit sluit nauw aan bij de rol van morele waarden als bron van autoriteit in het Confucianisme.

Het Confucianisme kreeg ook te maken met een sterk individualistische leer van eigen bodem: het Taoïsme (ook wel Daoïsme genoemd naar het Chinese woord voor ‘principe’ of ‘weg’, dao), oftewel de leer van de juiste weg. Die juiste weg openbaart zich in mensen en natuur. Een volger van de Tao moet zich dus eigenlijk voortdurend aanpassen aan wat hij voelt of wat er om hem heen gebeurt. Rationeel nadenken of bewust handelen zitten maar in de weg: spontaniteit en vrijheid zijn van groot belang om de juiste weg te vinden. In dat zoeken naar innerlijke wijsheid lijkt het Taoïsme op het Boeddhisme. Een belemmering voor het volgen van die weg is een strikte staatsorde. Voor de Confucianistische leiders kon er echter maar één dao bestaan: hun weg (or the highway). Het Taoïsme klonk in hun oren opvallend veel als anarchie.

De Dalai Lama en het Vaticaan
Hoewel het onder de CCP moeilijk is voor te stellen, was China gedurende vele eeuwen een door en door religieuze samenleving. Het was voor de Confucianistische Keizers dan ook lastig om het Boeddhisme en Taoïsme volledig uit de maatschappij te verbannen. In plaats daarvan zien we dat dynastieën gebruik gingen maken van religie om hun macht te versterken. Met de opeenvolging van verschillende Keizerlijke dynastieën door de Chinese geschiedenis vormt zich een golfbeweging van Boeddhistische en Taoïstische invloeden: iedere dynastie gebruikt onderwijs of geweld om zijn versie van goed en kwaad op te leggen. Al onder de Keizers werd religie een onderdeel van de staat in plaats van een persoonlijke keuze. Ook in de Volksrepubliek China wijst de CCP de opvolger van de Dalai en Panchen Lama aan. Net zo min accepteert de CCP dat het Vaticaan Chinese Christelijke bisschoppen benoemt.

Zo vormden de ‘drie leren’ aan de hand van de opeenvolgende dynastieën in 2500 jaar de ideologische basis voor de Chinese politiek aan het begin van de 20e eeuw. Na de val van de laatste dynastie, de Qing in 1911, ontspon zich in China een lange strijd tussen Nationalisten en Communisten die in 1949 leidde tot de stichting van de Volksrepubliek China door Mao Zedong1. Net als de Qin Keizer voor hem, verbant Mao de ideologie van zijn voorgangers: in een lastercampagne koppelt hij het Confucianisme aan alles wat er fout gaat in China en binnen de CCP. In plaats van het Confucianisme importeert de CCP een nieuwe buitenlandse ‘leer’ die de staatsorde gaat bepalen: het Leninisme. Het Marxisme dat Mao en zijn kameraden uit Moskou kregen aangereikt was overgoten met een praktisch Leninistisch sausje: waar Marx zich vanachter zijn bureau concentreerde op de historische strijd tussen klassen om het bezit van productiemiddelen, daar voerde Lenin de Russische revolutie uit met hulp van een groep leiders. Het beeld van een elite die de revolutie leidt, sloot naadloos aan bij de lange mars door China en de bloedige strijd tegen de Japanners en de Nationalisten die de Communisten onder leiding van Mao achter de rug hadden. Mao verplaatst het Marxisme uit de Russische steden (arbeiders) naar het Chinese platteland (boeren). Zijn elite vormde zich tot het Politburo en het Staande Comité van de oppermachtige Chinese Communistische Partij (CCP).

Volkspartij
De Confucianistische Keizer maakte hierdoor plaats voor de Leninistische President van de Communistische éénpartijstaat dat tegenwoordig voor veel Chinezen zo vanzelfsprekend lijkt. Maar kan een in duizenden jaren gegroeide ideologie zo maar verdwijnen? Nee, toch niet. Wie de Chinese politiek wil begrijpen in termen van een publieke ideeënstrijd tussen politieke stromingen, waarbij soms de ene wint en dan de andere, zoals in westerse democratieën, zit er naast, zegt Florian Schneider, onderzoeker aan de Universiteit Leiden, in een interview met Idee. De ‘drie leren’ zijn niet verdwenen uit de Chinese politiek. De organisatie van de CCP lijkt allereerst nog steeds doortrokken van het Confucianistische leading by example beginsel. De partijorganen functioneren op alle niveaus als de plaatsen waar de elites samen besluiten kunnen nemen. Schneider beschrijft hoe de CCP zich wel probeert om te vormen tot een echte ‘volkspartij’: door meer interactie te laten plaatsvinden tussen bestuurder en bevolking. In sommige Chinese dorpen vinden zelfs ‘burgemeesters’ -verkiezingen plaats. Het oordeel van de bevolking weegt zwaar mee in de carrièrekansen van Communistische bestuurders. Wie onrust in zijn regio niet kan voorkomen of onvoldoende economische groei realiseert, kan een plaats in het Politburo vergeten. De Chinese bestuurder die door de mensen in zijn regio wordt beschuldigd van corruptie kan tegenwoordig maar beter zijn in Zwitserland geparkeerde pensioen achterna reizen. Als het de bestuurders in Beijing niet lukt de luchtvervuiling aan te pakken, dan zal dat het vertrouwen in de partij schaden. Het is een bijna dagelijkse opiniepeiling gebaseerd op het aantal microdeeltjes in de lucht: de meter mag niet te vaak rood uitslaan.

Wat is er onder de Communisten gebeurd met religie, het ‘opium voor het volk’ zoals Marx het uitdrukte? Hoewel alle meer dan 80 miljoen leden van de CCP op papier atheïsten zijn, lijkt President Xi Jinping voorzichtig meer ruimte te geven aan vier officiële, door de Partij gecontroleerde, godsdiensten: naast het Boeddhisme en het Taoïsme is er plaats voor het Christendom en de Islam. Volgens sommige bronnen wil Xi zelfs meer ruimte bieden aan de ‘drie leren’ om het morele gat te vullen waarin de materialistische Chinese middenklasse dreigt te verdwijnen.

2564ste geboortedag van Confucius
De CCP lijkt dus net zo pragmatisch met ideologie om te gaan als al die Keizers die zij zo verachtten. De Communisten hebben de plaats van de Keizers ingenomen en proberen hun eigen ideologieën (het Marxisme en Leninisme) te laten versmelten met de ‘drie leren’. Volgens Schneider probeert de CCP verschillende stromingen en leren een plaats te geven binnen de partij. Wie goed luistert naar President Xi hoort volgens hem gewoon een leider die verschillende groeperingen in zijn achterban bedient: een stukje Confucius voor de conservatieven, een beetje Mao voor de socialisten en economische hervormingen à la Deng voor de liberale ondernemers. Daarom ook brengt Xi een bezoek aan Qufu, de geboortestad van Confucius in de provincie Shandong. Daar viert hij de 2564ste geboortedag van Confucius, in de Hal van het Chinese Volk. Tegelijkertijd treedt hij ook in de voetsporen van de liberale hervormer Deng Xiaoping, door naar Shenzhen in het zuiden van China te reizen om het belang van ongelimiteerd ondernemerschap te prijzen. Xi zoekt voortdurend naar de ‘yin’ en ‘yang’ die dat enorme land in balans kunnen houden. De nachtelijke verplaatsing van Confucius van het begin van dit artikel toonde tegelijkertijd aan dat ideologie er in China nog steeds toe doet en hoe pragmatisch de moderne leiders ermee omgaan: toen de Maoïsten binnen de CCP te heftig reageerden op het standbeeld, verdween Confucius naar een binnenplaats. Probeer je eens voor te stellen dat premier Rutte tijdens één en dezelfde verkiezingscampagne het belang van het gezin, terugkeer naar het ziekenfonds, subsidies voor windmolens, lagere vennootschapsbelastingen en meer autonomie voor lidstaten van de Europese Unie had gepropageerd. Hoe maak je als Chinees nog chocola van al die tegengestelde boodschappen?

Voor het antwoord op die vraag keert Schneider nog eenmaal terug in de geschiedenis naar de ‘drie leren’. Wie met zoveel verschillende levensovertuigingen en religies vreedzaam naast elkaar wil leven, leert vanzelf pragmatisch te denken. Het leven met tegenstellingen vormt een heel normaal onderdeel van de Chinese cultuur. De Bijbel van het Taoïsme staat bol van de paradoxen. De absolute waarheid vormt in Azië een veel minder dominant idee dan in Europa en de Verenigde Staten. Zowel in het Boeddhisme als het Taoïsme staat de ontwikkeling of constante beweging van het eigen zijn centraal. In Nederland is inconsistentie een politieke doodzonde. Wie ‘draait’ gaat door de knieën. Het moderne China biedt ideologie volgens Schneider juist een mogelijkheid om politieke besluiten te rechtvaardigen en begrijpelijk te maken. Chinese leiders gebruiken ideologie om verschillende belangen met elkaar in overeenstemming te brengen. Het heeft wel wat weg van de Nederlandse polder tussen de Yangtze en de Gele rivier: een pragmatisch land, waar handel drijven Koning is en waar verschillende godsdiensten elkaar tolereren.

Een versie van dit artikel verscheen eerder in Idee, het politiek-wetenschappelijke tijdschrift van de Mr. Hans van Mierlo Stichting, het wetenschappelijk bureau van D66.